Politiek Traktaat (Spinoza)

Spinoza schreef het Politiek traktaat in de nasleep van het rampjaar 1672, waarin de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen, de gebroeders De Witt werden vermoord en stadhouder Willem III een greep deed naar de macht. De Zuidelijke en Oostelijke provincies werden onder de voet gelopen. Franse troepen rukten op tot voorbij Utrecht. Alleen de provincie Holland hield stand achter de Waterlinie, die van Muiden via Bodegraven en Schoonhoven naar Gorcum liep. De Republiek stond aan de rand van de afgrond en bleef alleen door een samenloop van toevallige omstandigheden gespaard.

De crisis van 1672 was het gevolg van een onevenwichtige staatsinrichting. Het ontbrak de Republiek aan evenwicht tussen een stadhouderlijk bewind aan de ene en een democratisch bewind aan de andere kant. Het gevaar van stadhouderlijk bewind was tirannie, dat van de democratie stuurloosheid. In de 17e eeuw wisselden periodes van stadhouderlijk en democratisch bewind elkaar af. Inzet was het behoud van de Republiek, maar het was onduidelijk wat er met dat woord werd bedoeld. ‘Republiek’ verwees naar een bewind zonder monarch, zoveel was zeker. Maar welke vorm dat bewind had, liet men in het midden. Was het democratisch of aristocratisch van aard? Kon het misschien zelfs verwijzen naar een monarchie? Dat laatste achtte men weliswaar uitgesloten, maar zeker wist men het niet.

Spinoza probeerde met het Politiek traktaat antwoord te geven op de vraag naar de beste staatsvorm in een republiek. Toen hij in de loop van 1675 aan zijn Traktaat begon, was hij van plan om na een aantal inleidende hoofdstukken, gewijd aan ontstaan, aard en doel van de republiek, achtereenvolgens de drie traditionele staatsvormen, monarchie, aristocratie en democratie te behandelen, en zijn boek af te sluiten met een paar hoofstukken over de meest geschikte regeringsvorm. In die opzet is hij grotendeels geslaagd. De eerste vijf hoofdstukken zijn gewijd aan oorsprong, wezen en doel van de staat, de daaropvolgende aan monarchie (hoofdstuk 6 en 7), aristocratie (8, 9 en 10) en democratie (hoofdstuk 11), maar de dood overviel hem op 21 februari 1677 en belette hem zijn traktaat af te ronden. Het gedeelte over de democratie is onvolledig (hoofdstuk 11 breekt plotseling af).

We zullen nooit weten welke conclusies Spinoza zou hebben getrokken uit de voorafgaande hoofdstukken. Maar het is niet onmogelijk om aan te geven in welke richting deze conclusies zouden zijn gegaan. Spinoza schreef namelijk nog een tweede verhandeling over politieke theorie, het Theologisch-politiek traktaat (gepubliceerd in 1670), en hoewel dit werk aan een ander probleem is gewijd dan het Politiek traktaat (namelijk de omstreden relatie tussen godsdienst en politiek) en Spinoza’s opvatting over politiek in de periode na 1670 veranderde doordat het gepeupel in augustus 1672 de gebroeders De Witt op afgrijselijke manier om het leven bracht en Spinoza’s afkeer van het volk en daarmee zijn afkeer van de democratie deed toenemen, kunnen de algemene conclusies van het Politiek traktaat over wezen en doel van de staat worden afgeleid uit de interne systematiek van het Politiek traktaat en de overeenkomsten én verschillen tussen Theologisch-politiek traktaat en Politiek traktaat. Ook de hoofdstukken over de democratie kunnen, zij het voorzichtiger en met inachtneming van Spinoza’s veranderende mening over volk en democratie na 1672, worden aangevuld met Spinoza’s opvatting over de democratie zoals hij die neerlegt in het Theologisch-politiek traktaat.

Het Politiek traktaat bestaat uit elf hoofdstukken. Ze hebben geen titels, maar Spinoza schetst in zijn laatste brief (Brief 84) het redactieschema dat hij in het najaar van 1676 volgde en van de onderwerpen die hij in de hoofdstukken aan de orde stelde. Deze onderwerpen zijn:

1    Inleiding

2    Over het natuurrecht

3    Over het recht van de soevereiniteit

4    Over de taken van de staat

5    Het hoogste doel van de samenleving

6    Over de grondslagen van de monarchie

7    Organisatie van de monarchie

8    Grondslagen van de aristocratie van één stad

9    Grondslagen voor de aristocratie van meerdere steden

10   Over de ondergang van aristocratieën

11   Over de democratie

Het Politiek traktaat valt uiteen in twee delen: in het eerste deel (hoofdstukken een tot en met vijf) bespreekt Spinoza oorsprong, wezen en doel van de staat. In het tweede deel (hoofdstukken zes tot en met elf) behandelt hij de drie staatsvormen: monarchie, aristocratie en democratie.

In deel een volgt Spinoza de redenering die hij eerder had ontwikkeld in het Theologisch-politiek traktaat en de Ethica. Het eerste deel van het Politiek traktaat is, zoals Spinoza zelf aangeeft, een samenvatting van de desbetreffende passages uit eerdere werken:

In mijn Theologisch-politiek traktaat heb ik natuurrecht en burgerrecht behandeld, en in mijn Ethica heb ik uiteengezet wat wangedrag en verdienste, wat recht en onrecht en tenslotte wat menselijke vrijheid is. Maar om de lezers van de huidige verhandeling de moeite te besparen in andere werken analyses na te slaan die het meest relevant zijn voor deze verhandeling, heb ik besloten mijn gezichtspunten hier opnieuw uiteen te zetten en kort te bewijzen (Politiek traktaat 2/1)

 

1. OORSPRONG, WEZEN EN DOEL VAN DE STAAT

Om duidelijk te maken wat een staat is, zet Spinoza de staatkundige orde (status civilis) af tegen de natuursituatie (status naturalis). In Deel IV van de Ethica vat hij deze redenering als volgt samen:

Iedereen bestaat op grond van het hoogste recht van de Natuur en bijgevolg doet iedereen op grond van het hoogste natuurrecht wat uit de noodzaak van zijn natuur volgt. Daarom oordeelt iedereen op grond van het hoogste natuurrecht wat goed en wat slecht is, bewaakt zijn belangen naar eigen inzicht, zorgt er zelf voor dat geleden schade wordt vergolden, en streeft naar instandhouding van wat hij liefheeft en vernietiging van wat hij haat.

Als mensen onder leiding van de rede zouden leven, zou iedereen dit recht kunnen uitoefenen zonder anderen te schaden. Maar omdat ze aan affecten zijn onderworpen die de macht, dat wil zeggen de deugd van de mens verre te boven gaan, worden ze vaak allerlei kanten op getrokken, en zijn elkaars tegenstanders, terwijl ze elkaars hulp nodig hebben. Om ervoor te zorgen dat mensen in eendracht leven en elkaar tot steun zijn, is het dan ook nodig dat zij afstand doen van hun natuurrecht en elkaar verzekeren dat zij niets zullen doen wat anderen zou kunnen schaden [..].

Op zo’n wet kan een samenleving worden gegrondvest, op voorwaarde dat zij het recht voor zichzelf opeist dat allen hebben om geleden schade met eigen hand te vergelden en zelf te oordelen wat goed en slecht is. Dan heeft ze de macht om een gemeenschappelijke leefregel voor te schrijven, wetten uit te vaardigen en die te handhaven, niet met een beroep op de rede die niet in staat is affecten te bedwingen, maar door dreigementen met sancties. Zo’n samenleving die gehandhaafd wordt door wetten en door de macht om zichzelf in stand te houden, wordt een politieke gemeenschap [civitas] genoemd, en degenen die door haar recht worden beschermd, burgers.

Hieruit kunnen we makkelijk begrijpen dat er in de natuurstaat niets is wat volgens de algemene overeenstemming goed of kwaad is. In de natuurstaat bekommert iedereen zich immers alleen om zijn eigenbelang, beslist wat goed of slecht is op grond van zijn eigen inzicht en alleen voor zover zijn eigenbelang ermee is gediend, en is door geen enkele wet verplicht wie dan ook te gehoorzamen, behalve zichzelf. Daarom is vergrijp in de natuurstaat niet denkbaar. Maar dat is ze wel in de staatkundige orde [statu civili], waar op grond van algemeen besluit wordt bepaald wat goed en wat kwaad is, en ieder verplicht is zich te voegen naar de politieke gemeenschap. Daarom is vergrijp niets anders dan ongehoorzaamheid die derhalve alleen volgens het samenlevingsrecht kan worden bestraft, daarentegen wordt gehoorzaamheid aan de samenleving beschouwd als verdienste die maakt dat een burger om die reden waardig wordt geacht de voordelen van de samenleving te genieten.

Bovendien is niemand in de natuurstaat volgens algemene overeenstemming eigenaar van wat dan ook en in de Natuur is er dan ook niets waarvan gezegd kan worden dat het aan deze of gene toebehoort. Alles behoort toe aan iedereen. Vandaar dat de wens om ieder het zijne te geven in de natuurstaat ondenkbaar is, net zo goed als de wens om iemand iets af te nemen wat van hem is, dat wil zeggen dat er in de natuurstaat niets wordt gedaan wat rechtvaardig of onrechtvaardig genoemd kan worden. Maar dat is wel het geval in de staatkundige orde waar volgens algemene overeenstemming wordt bepaald wat aan de een en wat aan de ander toebehoort. Hieruit blijkt dat rechtvaardig en onrechtvaardig, vergrijp en verdienste uiterlijke begrippen zijn, geen eigenschappen die de natuur van de geest uitdrukken (Ethica IV, Stelling 37, Opmerking 2).

Spinoza vat aard en wezen van de staat in vier hoofdpunten samen: (1) de relatie tussen natuurstaat en samenleving, (2) de relatie tussen affect en rede, (3) de oorsprong van goed en kwaad en (4) het ontstaan van bezit. Het eerste deel van het Politiek traktaat (de hoofdstukken 1 tot en met 5) is een herhaling en uitbreiding van deze samenvatting.

(1) Natuurrecht en samenlevingsrecht. In de natuurstaat beschikt ieder individu over het natuurrecht. Een staat komt tot stand wanneer de leden van een groep hun natuurrecht overdragen aan het collectief. Overdracht van het natuurrecht aan het collectief vormt het fundament van elke staat.

Overdracht vindt plaats op basis van onderlinge overeenstemming. De leden van de groep beloven elkaar niet te zullen vermoorden, niet te zullen bestelen of anderszins schade te berokkenen, en elkaar te zullen helpen in gevaar, bijvoorbeeld wanneer de groep wordt aangevallen.

Overdracht van natuurrecht op het collectief betekent dat de leden van de groep niet langer vrij zijn om alles te doen wat ze willen. In de natuursituatie zijn mensen volstrekt vrij, maar deze vrijheid zit vol gevaar en onzekerheid, want iedereen moet slapen, iedereen wordt weleens ziek, iedereen wordt oud en gebrekkig en dus zijn alle mensen in de natuurstaat kwetsbaar voor tegenstanders die het op hen hebben voorzien. Vrijheid in de natuursituatie is een schijnvrijheid. In een politieke gemeenschap beschikken mensen ogenschijnlijk over veel minder vrijheden, maar omdat ze niet langer bang hoeven te zijn bestolen of vermoord te worden en ze elkaar bijstaan in nood, is hun feitelijke vrijheid veel groter. Vandaar dat echte vrijheid volgens Spinoza alleen binnen de staat kan worden verworven

(2) Affect en rede. In de natuursituatie laten mensen zich leiden door hun affecten, bijna nooit door hun rede. Ze staan als vijanden tegenover elkaar. Spinoza heeft niets tegen affecten, die hij ook wel begeerten (cupiditates) of driften (appetitus) noemt. Integendeel zelfs. Hij meent dat driften, begeerten en affecten de levensimpuls en essentie vormen van elk levend wezen. Maar als mensen hun affecten niet intomen met behulp van hun rede, ontstaat er oorlog. In de natuursituatie volgen mensen en dieren blindelings hun driften en zijn voor geen enkele rede vatbaar. Een politieke gemeenschap ontstaat op het moment dat mensen hun driften beteugelen om elkaar te ontzien. Dit intomen van de driften uit consideratie met de andere leden van de gemeenschap noemt Spinoza rede (ratio). Rede is hetzelfde als gemeenschapszin. Dat leidt tot twee opmerkingen:

(a) In de natuursituatie gebruiken mensen hun rede niet of onvoldoende, zegt Spinoza in het hierboven gegeven citaat. Mensen beschikken dus blijkbaar ook in de natuursituatie over rede (gemeenschapszin), alleen gebruiken ze die niet of onvoldoende. Spinoza onderschrijft daarmee (en zegt ook letterlijk) dat mensen sociale dieren zijn. Hieruit volgt dat de natuursituatie ten aanzien van de rede alleen in zoverre van de politieke gemeenschap verschilt dat de van nature bestaande gemeenschapszin in de politieke gemeenschap wordt vastgelegd in onderlinge afspraken waaraan iedereen zich belooft te houden.   

(b) Mensen zijn van nature geneigd delen van hun natuurrecht over te dragen aan het collectief omdat ze als groep sterker staan tegenover een vijandige buitenwereld. Ze delen dit vermogen met andere sociale dieren zoals dolfijnen, olifanten, wolven, bijen en termieten. De conclusie is onontkoombaar dat ook andere sociale dieren over rede beschikken. Volgens de klassieken is dat onmogelijk, omdat rede volgens hen het kenmerk is waardoor mensen zich van dieren onderscheiden. 

(3) Goed en kwaad. Goed en kwaad bestaan niet in de natuursituatie. Misdrijf en vergrijp evenmin. Natuurrecht is het recht om in de natuurstaat al datgene te doen at binnen iemand vermogen ligt, inclusief moorden, roven en verkrachten. In de natuurstaat is alles toegestaan. Mensen leven er als dieren in het bos. En zoals je van een snoek niet kunt zeggen dat hij wreed of misdadig is als hij andere vissen verslindt, dat de leeuw wreed en pervers is als hij welpjes verscheurt om een leeuwin paringsbereid te krijgen, zo kun je van de mens in de natuursituatie ook niet zeggen dat hij wreed of misdadig handelt als hij voedsel rooft of medemensen vermoordt. Het is zelfs onjuist om te spreken van roof of moord, omdat die woorden misdaad impliceren en van misdaad is in de natuursituatie geen sprake. Dieren en mensen doen in de natuursituatie eenvoudig wat ze moeten doen om zich in het bestaan te handhaven.

Goed en kwaad ontstaan pas op het moment dat een gemeenschap richtlijnen voor gedrag vastlegt. Gehoorzamen aan deze richtlijnen is het Goede, overtreding ervan is het Kwaad. Begrippen als rechtvaardig, onrechtvaardig, vergrijp en verdienste zijn betrekkelijk, omdat ze betrekking hebben op de afspraken die binnen een politieke gemeenschap worden gemaakt, niet op de situatie daarbuiten. Handelingen die vroeger onrechtvaardig waren, hoeven dat nu niet meer te zijn; handelingen die elders onrechtvaardig zijn, hoeven bij ons niet te zijn. Goed en kwaad zijn geen absolute maatstaven die aan tijd en plaats ontheven kunnen worden; ze hebben betrekking op rechtsregels die op zeker moment binnen een bepaalde samenleving worden overeengekomen.

(4) Bezit. In de natuurstaat is alles van iedereen. Volgens het natuurrecht mag iedereen zich alles toe-eigenen waartoe hij de macht heeft. Als iemands macht afneemt of verdwijnt, eigenen anderen zich met hetzelfde natuurrecht zijn goederen toe. Van bezit is alleen sprake in de politieke gemeenschap, omdat bezit wordt bepaald door onderling overeengekomen rechtsregels. Iemand is eigenaar van iets voor zover er rechtsregels bestaan die bepalen wanneer hij zich eigenaar van iets mag noemen. Als hij sterft blijft hij eigenaar van zijn bezit dat overgaat op zijn rechtmatige erfgenamen. Alleen binnen de politieke gemeenschap is het mogelijk ‘ieder het zijne’ te geven. Spinoza refereert met deze uitdrukking aan het door Aristoteles geformuleerde beginsel van distributieve rechtvaardigheid dat inhoudt dat grond en goederen in de samenleving worden verdeeld naar behoefte.

Spinoza bedoelt met ‘ieder het zijne’ niet dat goederen gelijkelijk worden verdeeld. Hij gaat ervan uit dat iedereen zoveel goederen mag vergaren als hij macht kan ontwikkelen. De enige grens die aan iemands machtsstreven wordt gesteld is dat hij anderen geen schade berokkent. Volgens Spinoza duurt het natuurrecht dan ook voort in het samenlevingsrecht:

ieders natuurlijke recht houdt niet op te bestaan in de politieke orde. Want zowel in de natuurstaat als in de samenleving handelt de mens volgens de wetten van zijn natuur en ziet toe op zijn eigenbelang (Politiek traktaat 3/3).

Spinoza verschilt wat dit betreft van mening met Thomas Hobbes, die verklaarde dat het natuurrecht ophoudt te bestaan na instelling van de politieke gemeenschap.

2. DE DRIE STAATSVORMEN: MONARCHIE, ARISTOCRATIE, DEMOCRATIE

De beschouwing over oorsprong, wezen en doel van de staat (hoofdstuk 1 tot en met 5) wordt gevolgd door een beschouwing over de drie staatsvormen monarchie, aristocratie en democratie in de hoofdstukken 6 tot en met 11.

Monarchie (hoofdstukken 5 en 7)
Spinoza oordeelt negatief over de monarchie. Het is niet zijn bedoeling om waardeoordelen uit te spreken over welke staatsvorm dan ook, maar hij laat duidelijk merken dat de monarchie in zuivere vorm het grootste gevaar vormt voor de vrijheid die ten grondslag ligt aan elke staatsvorm:

De ervaring lijkt te leren dat in het belang van vrede en eendracht alle macht wordt overgedragen aan één man […].
Maar alle macht overdragen aan één man staat gelijk aan slavernij, niet aan vrijheid (Politiek traktaat 6/4).

Volgens Spinoza is het onmogelijk dat één man leiding geeft aan een staat. De ervaring leert dat alleenheersers hun macht delen met raadgevers en vrienden, met als gevolg dat de vorst alleen in naam alleenheerser is, maar de feitelijke macht achter de schermen wordt uitgeoefend door raadgevers. Verdere nadelen zijn dat een alleenheerser de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht in zijn persoon verenigt; dat hij boven de wet staat en nooit ter verantwoording kan worden geroepen; dat hij ten slotte de macht van de staat belichaamt in zijn persoon, zodat hij kan zeggen: de staat, dat ben ik. Spinoza geeft vier redenen waarom de macht niet aan één man moet worden toevertrouwd, maar aan een ‘Raad van voldoende omvang’ die namens de koning regeert:

(1) De macht van één man is ontoereikend om de taak van staatshoofd te vervullen […]. Hij heeft behoefte aan raadgevers. Een voldoende grote Raad heeft die behoefte niet.

(2) Koningen zijn sterfelijk, Raden daarentegen eeuwig. Staatsmacht die eenmaal is overgedragen aan een Raad van voldoende omvang keert nooit bij het volk terug.

(3) Het bewind van een koning is onzeker (hij is een kind, of hij is oud of ziek); dat van een grote Raad is altijd hetzelfde.

(4) De wil van een enkeling is onberekenbaar. In een monarchie is de wil van de koning wet, maar niet alles wat de koning wil, zou wet moeten zijn; die van de voldoende grote Raad is conform de wet. Daarom benadert de voldoende grote Raad het meest de absolute staat (Politiek traktaat 8/3).

De monarchie kan volgens Spinoza een goede staatsvorm zijn, op voorwaarde dat de monarch beteugeld wordt door een Raad van voldoende omvang. Onder punt (2) noteert Spinoza dat als de macht wordt overgedragen aan een Raad van voldoende omvang deze macht nooit terugkeert bij het volk. Hij beschouwt dit als een voordeel.

De beteugelde monarchie werd door de verlichte staatkundigen van Spinoza’s tijd (Hugo de Groot, Merula, Busius, Boxhorn) met kracht verdedigd. Illustratief voor een eigentijdse verdediging van een parlementaire monarchie waarin de bewegingsruimte van de stadhouder beperkt blijft tot de door de Staten-Generaal gestelde grenzen, zijn de geschriften van Marcus Boxhorn, hoogleraar aan de Leidse Universiteit en leermeester van de gebroeders De la Court. In zijn Hantboekcxken (1650) beschrijft hij nauwkeurig de bevoegdheden van de stadhouder als opperbevelhebber van leger en vloot. Deze bevoegdheden zijn ruim, aangezien het land in tijden van nood een bevelhebber nodig heeft, maar groter of kleiner naar gelang de urgentie van de situatie. Wordt het land aangevallen door vreemde mogendheden, dan worden de bevoegdheden van de opperbevelhebber verruimd; heerst er vrede, dan worden ze beperkt.

In alle gevallen, oorlog of vrede, staat de stadhouder onder het gezag van de Staten-Generaal. Hij legt een eed af aan de Staten-Generaal waarin hij zich onderwerpt aan hun gezag; hij legt soortgelijke eden af aan elk van de provincies die hem als stadhouder hebben gekozen.

Boxhorn herinnert eraan dat de rol van de stadhouder zich beperkt tot die van opperbevelhebber van leger en vloot en dat hij als opperbevelhebber zelfs in oorlogstijd de voorschriften en besluiten van de Staten-Generaal dient te volgen. De soevereiniteit berust bij de Staten-Generaal. Zij nemen het besluit om oorlog te voeren of vrede te sluiten met vreemde mogendheden. Maar ook de militaire handelingen die op een oorlogsverklaring volgen, worden door de Staten-Generaal tot in detail uitgestippeld.

Spinoza conformeert zich wat betreft de positie van de monarch aan de opvatting die in het midden van de 17e eeuw door de politieke theorie werd gehuldigd ten aanzien van de stadhouder. Men ging ervan uit dat de stadhouder weliswaar een onmisbaar eenhoofdig element vormde in de regering, maar dat zijn positie en bevoegdheden verregaand waren ingeperkt door de Staten-Generaal waaraan hij op elk moment verantwoording schuldig was.

Spinoza’s mening ten aanzien van de monarchie komt overeen met die van De Groot, Merula en Boxhorn. Spinoza verwerpt de monarchie niet. Hij formuleert de voorwaarden waaraan een goede monarchie moet voldoen. Hij zegt daarmee tevens dat hij de monarchie, onder deze voorwaarden, een acceptabele staatsvorm zou vinden voor de Republiek.

Spinoza beschouwt de monarchie (zij het beteugeld in een gemengde regeringsvorm) als een van de mogelijke vormen die een republiek kan aannemen. De term ‘republiek’ heeft bij hem dus niet de gebruikelijke strekking van een anti-monarchale staatsvorm, maar de algemene strekking van een ‘gemenebest’.

Een en ander betekent dat Spinoza als politiek theoreticus minder radicaal is dan men over het algemeen aanneemt. Minder radicaal dan bijvoorbeeld de gebroeders De la Court die verklaarde tegenstanders waren van de monarchie.

Aristocratie (hoofdstukken 8, 9 en 10)
Aristocratie is een regering van enkelen:

In een aristocratie voert niet één persoon het bewind, maar enkelen die uit het volk worden gekozen en die ik in het vervolg patriciërs zal noemen […]. Er moet rekening worden gehouden met de omvang van de staat bij het bepalen van het minimum aantal patriciërs (Politiek traktaat 8/1).

Spinoza noemt de aristocraten patriciërs, het volk plebejers. Uit deze benamingen blijkt dat hij de Romeinse staatsinrichting gebruikt als model voor de aristocratie. Volgens Spinoza zijn de grondslagen van de aristocratie duurzaam en stabiel als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(1) Dat plebejers moeten worden uitgesloten van Raden en van stemming, zodat

(2) de hoogste staatsmacht in handen blijft van alle patriciërs

(3) het gezag in handen is van de syndici en de senaat en dat verder

(4) het recht om de senaat bijeen te roepen […] in handen is van consuls die uit de senatoren worden gekozen, en dat men ten slotte beschikt over

(5) secretarissen van de senaat of van andere Raden die voor vier, maximaal vijf jaar [uit het volk] worden gekozen (Politiek traktaat 8/44).

De staatsmacht is in handen van een ‘Raad van patriciërs die voldoende groot is’. De enige werkzame vorm van aristocratie is volgens Spinoza een omvangrijke Raad bestaande uit patriciërs. Deze Raad wordt gecontroleerd door een Raad van syndici, die nagaat of het werk van de patriciërs in overeenstemming is met de wet. De syndici kunnen het best worden vergeleken met accountants aan wier regelmatige controle de Raad wordt onderworpen. De macht van de Raad wordt verder aan banden gelegd door een senaat en door consuls die uit de senatoren worden gekozen. Het opmerkelijkst is wel dat het gewone volk (de plebejers) wordt uitgesloten van actief en passief kiesrecht, en door de patriciërs wordt vertegenwoordigd. 

Merk op dat in de aristocratie de drie machten vertegenwoordigd zijn in de vorm van consuls en Senaat (monarchaal), Senaat en Grote Raad (aristocratie) en volk (democratie).

Merk tevens op dat het gewone volk in de zin van de duizendkoppige menigte (plebejers) wordt uitgesloten van de regering, maar in de zin van volkslichaam of Volk door de Grote Raad wordt vertegenwoordigd en slechts in deze zin de soevereiniteit bezit. Spinoza grijpt hiermee terug op het begrip ‘volkslichaam’ zoals gedefinieerd door de monarchomachen en Althusius.

Spinoza maakt onderscheid tussen een aristocratie van één stad (hoofdstuk 8) en van meerdere steden (hoofdstuk 9). De eerste is een enkelvoudige aristocratie, de tweede een federatieve, bestaande uit meerdere gelijkwaardige republieken. Achter beide varianten tekent zich de staatkundige situatie af van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de dubbelzinnigheid waaraan zij van meet af aan mank ging: was de Republiek een bondsstaat van provincies die zich verenigd hadden tot één provincie, zoals het eerste artikel van de Unie van Utrecht benadrukte, of een statenbond, dat wil zeggen een federatie van onafhankelijke staten die elkaars onafhankelijkheid erkennen, steunen en verdedigen, zoals hetzelfde artikel van de Unie bepaalt? In het eerste geval zou de soevereiniteit berusten bij de Staten-Generaal, in het tweede bij de Staten van de zeven afzonderlijke provincies.

Deze vraag is nooit beantwoord. Nu eens verklaarde men dat de soevereiniteit bij de Staten-Generaal lag, dan weer dat ze onvervreemdbaar berustte bij de Staten van de provincies. Waren de stadhouders aan het bewind, dan legden zij de nadruk op de Staten-Generaal die ze gebruikten als werktuig in hun handen, ongeveer zoals de landsheren dat in de Habsburgse tijd hadden gedaan. Verschoof het bewind onder leiding van een raadspensionaris naar de republiek, dan legde deze de nadruk op de soevereiniteit van de afzonderlijke provincies en verschoof het zwaartepunt van de macht van de top (stadhouder) naar de basis: Provinciale Staten en steden.

Op provinciaal en nationaal niveau werd de politieke discussie gedomineerd door de soevereiniteitsvraag. De politieke pamfletten, handvesten en verklaringen komen in het opzicht van de soevereiniteit niet verder dan een compromis. Ze verklaren de provincies soeverein waar het de provinciale belangen betreft, de Staten-Generaal waar het zaken van nationaal belang betreft. Zaken van nationaal belang waren defensie, buitenlandse zaken en belastingen, voor zover die de oorlogsinspanning betroffen.

De verdeling van de bevoegdheden leek duidelijk, maar was dat niet. Hoe zat het bijvoorbeeld met het geloof, een cruciaal probleem in die dagen? Was dat een zaak van provinciaal of nationaal belang? En defensie? Elke provincie droeg weliswaar bij aan de nationale defensie, maar had haar eigen leger, met een eigen bevelhebber (kapitein) en benoemde haar eigen officieren. De kustprovincies hadden bovendien een eigen vloot. Er waren vijf verschillende vloten met vijf verschillende admiraals. En buitenlandse zaken? De Akte van Seclusie (1654), waarbij de jonge Willem II werd uitgesloten van het stadhouderschap, maakte deel uit van het verdrag van Westminster dat Engeland onder Cromwell sloot, níet met de Verenigde Nederlanden, vertegenwoordigd in de Staten-Generaal, maar met de Staten van Holland onder leiding van Johan de Witt.

De hoofdstukken gewijd aan de aristocratie bepleiten een staatsvorm die de drie belangrijkste staatkundige aspecten: leiderschap, raadpleging en volksvertegenwoordiging in zich verenigt. Er is natuurlijk verschil tussen de aristocratie van één stad (dat wil zeggen een aristocratie met een centraal bestuur) en de aristocratie bestaande uit een federatie van meerdere politieke gemeenschappen. Maar Spinoza’s oplossing komt in beide gevallen neer op één staatvorm die de drie aspecten in zich verenigt.

Democratie (hoofdstuk 11)
Democratie is de regering van allen door allen. In een democratie hoeft niemand te gehoorzamen aan een boven hem gestelde autoriteit, want:

… voor gehoorzaamheid is geen plaats in een gemeenschap waarin de macht bij allen berust en de wetten door algemene instemming van kracht worden (Theologisch-politiek traktaat 5/9).

Democratie benadert het meest de natuursituatie waarin iedereen over zichzelf beschikt (sui juris is). Zuivere democratieën komen in de praktijk niet voor, want elke politieke gemeenschap berust op overdracht van het natuurrecht aan een autoriteit die gehoorzaamheid moet afdwingen aan regels die door de volksvergadering zijn vastgesteld.

Volgens Spinoza draagt het volk in een democratie zijn natuurrecht over aan een Raad die het volk regeert namens het volk. Oorspronkelijk bestond deze Raad uit de volksvergadering die alle burgers omvatte. In een moderne samenleving is dat onmogelijk. De Raad van een democratie bestaat uit een aantal leden die het volk vertegenwoordigen. Dit aantal moet ‘voldoende groot’ zijn, dat wil zeggen in verhouding staan tot de omvang van de bevolking. Hoe omvangrijker de bevolking, des te groter de Raad. In principe hebben alle burgers zowel actief als passief kiesrecht. Maar Spinoza formuleert ook hier beperkingen. In de praktijk hebben alleen diegenen kiesrecht die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, die eerstgeborene zijn en die een bijdrage van een zekere omvang leveren aan de staatsfinanciën (belasting). Uitgesloten van kiesrecht zijn allen die niet zelfgerechtigd zijn, dat wil zeggen afhankelijk van het gezag van een ander: kinderen, vrouwen en personeel. Uitgesloten zijn verder misdadigers en personen die een onfatsoenlijk leven leiden. In de praktijk wordt de democratie bestuurd door een kleine groep stemhebbende vrije burgers. Zij regeren indirect, dat wil zeggen dat zij de leden kiezen van de Raad die het feitelijke bewind voert. Spinoza meent dat een democratie alleen dan werkt als de macht wordt overgedragen aan deze Raad. Spreiding van de macht over een te groot deel van het volk zou tot opstanden en een weinig duurzaam bewind leiden. In de praktijk werkt de democratie dus volgens het principe van de gemengde regeringsvorm; dat is iets heel anders dan de ‘macht aan allen’.

Spinoza geeft twee verschillende, onderling tegenstrijdige definities van democratie.

(1) In het Theologisch-politiek traktaat definieert hij ‘democratie’ als volkssoevereiniteit, en verankert hij de vrijheid van de burger in het onvervreemdbare beginsel de soevereiniteit berust bij het volk.

(2) In het Politiek traktaat betreft ‘democratie’ niet het beginsel van soevereiniteit, maar een staatsvorm, dat wil zeggen de vorm die het gezag kan aannemen, nadat dit door het volk is overgedragen aan een machthebber: monarchie (overdracht aan één), aristocratie (overdracht aan enkelen) en democratie (overdracht, niet aan allen, maar aan het ‘volk’ opgevat als volksvertegenwoordiging).

Politiek is in dualistisch, want berustend op de machtsstrijd tussen volk en vorst. Omdat de confrontatie van beide machten zou uitmonden in een permanente strijd, voorzien de klassieke staatsvormen in de instelling van een lichaam dat enerzijds controleert of de vorst zijn taak naar behoren vervult en anderzijds of het volk zich onderwerpt aan de wet. Er zijn drie constitutieve machten: volk, vorst en de bemiddelende instantie die de machten van vorst en volk in balans houdt. Het zwaartepunt van de macht kan verschuiven tussen deze drie. Ligt het zwaartepunt bij het volk, dan spreken we over democratie, ligt het bij de bemiddelende institutie dan is er sprake van aristocratie, en ligt de macht bij de vorst, dan is er sprake van monarchie. Dit is het speelveld van politieke mogelijkheden waarbinnen Spinoza zijn politieke filosofie ontwikkelt.

Het doel van het Politiek traktaat tekent zich, mede door vergelijking met overeenkomende hoofdstukken van het Theologisch-politiek traktaat af als een poging om een oplossing te formuleren voor de constitutionele crisis waarin de Republiek der Nederlanden terecht was gekomen. Spinoza’s oplossing heeft niet, zoals algemeen wordt aangenomen, de vorm van de democratie, maar die van het gemengd bewind, een harmonische tussenvorm, die de voordelen van de democratie combineert met die van de monarchie, in de vorm van ‘Raad van voldoende omvang’ die de extremen van democratie en monarchie in balans houdt.

De strekking van het Politiek traktaat kan in de woorden van Plutarchus als volgt worden samengevat:

Want de staat die geen stevige grond had om op te staan en nu eens overhelde naar een absolute monarchie als de koningen de overhand hadden, dan weer naar een zuivere democratie als het volk het voor het zeggen had, plaatste door instelling van de Senaat een gewicht in het midden dat, als ballast in een schip, altijd voor een juist evenwicht zorgde.[1]

Gebruikte literatuur

Althusius, Johannis, Politica methodice digesta et exemplis sacris et profanis illustrata, Herbornae Nassoviorum, Ex officina Christophori Corvini, 1603

Althusius, Johannis, Politica methodicè digesta atque exemplis sacris & profanis illustrata, Editio tertia, duabus prioribus multo auctior, Herbornae Nassoviorum 1614

Althusius, Politica, Politics Methodically Set Forth and Illustrated with Sacred and Profane Examples, An Abridged Translation, edited and translated, with an introduction by Frederick S Carney, Foreword Daniel H. Elazar, Liberty Fund, Carmel 1995 (1964)

Althusius, Johannes, Politik, Übersetzt von Heinrich Janssen, in Auswahl herausgegeben überarbeitet und eingeleitet von Dieter Wyduckel, Duncker & Humblot, Berlijn 2003

Boxhorn, Marcus Zuerius, Institutiones politicae, cum commentariis ejusdem, Amstelodami, Ex Officina Caspari Coomelini, MDCLXVIII (1668)

Boxhorn, Marcus Zuerius, Verbetert en vermeerdert Politijck en Militair Handboecxken vanden Staet der Geunieerde Provintien aanwysende deszelfs maniere van Regieringe veelvoudige middelen etc. alsmede De lasten des Oorlogs by den selve gedragen tot den Iare 1651. Den vijfden druck: waer by gevoecht sijn eenige autentijcke stucken tot dese materie dienende. Seer nut voor alle Liefhebbers. Gedruckt in’t Iaer ons Heeren 1660

Busius, Paulus, De Republica Libri Tres. Quibus tota politica ratio nova & succinta methodo ingenuae ejusdem praxi applicatur, Franekerae, apud Rombertum Doyema, Anno 1613

Buuren, Maarten van, Spinoza: vijf wegen naar de vrijheid, Ambo/Anthos, Amsterdam 2016

Buuren, Maarten van, De essentie van Spinoza, ISVW-Uitgevers, Leusden 2016

Buuren, Maarten van, Spinoza Ethica, vertaald, ingeleid en toegelicht door Maarten van Buuren, Damon, Eindhoven 2025

Buuren, Maarten van, Zijn, denken, doen. Spinoza’s weg naar geluk, Damon, Eindhoven 2025

Buuren, Maarten van, Spinoza, Politiek traktaat, vertaald, ingeleid en toegelicht door Maarten van Buuren, Damon, Eindhoven 2025

Buuren, Maarten van, Spinoza en de republiek; het ideaal van de gemengde staatsvorm, Damon 2026

Buuren, Maarten van, Spinoza: zijn filosofie in 50 sleutelwoorden, Damon, Eindhoven 2026

Groot, Hugo de, Het recht van oorlog en vrede: Prolegomena & Boek I, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan Frans Lindemans, Ambo, Baarn 1993

Groot, Hugo de, De republica emendanda, Grotiana, New Series Vol 5, Arthur Effinger ed., Van Gorcum, Assen 1984

Groot, Hugo de, De Oudheid van de Bataafse nu Hollandse Republiek. G.C. Molewijk (transcriptie en inleiding), Heureka, Weesp 1988

Groot, Hugo de, Verantwoordingh van de Whettelicke Regiering van Hollant ende Westvrieslant, Parys [1622]

Mellet, Paul-Alexis, Les traités monarchomaques; confusion des temps, résistance armée et monarchie parfaite (1560-1600), Droz, Genève 2007

Merula, Paullus, Oratie, na desselfs aytheurs overlijden in het licht gegeven, handelende van de Natuer, Aerdt ende Eigenschap des Batavischen Republijcks, vertaelt door Wilhelmum Antonij Buyserium, Enchuysen, 1642 (Latijnse editie 1614)

 

[1] Plutarchus, Vies; Thésée – Romulus, Lycurgue – Numa, Les Belles Lettres, Parijs 2019 (1958), p.127.