Ethica (Spinoza)

Ethica titelblad 1678

De Ethica is Spinoza’s levenswerk. Het is het belangrijkste werk uit de Nederlandse filosofie en een van de belangrijkste filosofische werken wereldwijd.

Spinoza werd in 1632 geboren als kind van Sefardische joden. Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Spanje. De joden hadden zich in de 15e eeuw onder toenemende druk van de Spaande koning tot het katholicisme bekeerd, maar dat bleek niet voldoende om aan vervolging te ontkomen. Ze weken uit naar Portugal, maar ook daar werd de toestand steeds benarder. Aan het eind van de 16e eeuw vluchtte de familie d’Espinoza naar het buitenland, eerst naar Nantes; later (mogelijk via Hamburg) naar Amsterdam.

De Portugese joden vormden in Amsterdam een kleine gemeenschap. Ze vestigden zich op Vlooienburg, een polder aan de Amstel die aan het eind van de 16e eeuw was drooggelegd, maar aan alle kanten omgeven was door water en zijn naam ontleende aan de drassige bodem (‘vlooi’ te lezen als ‘vloed’).

Na aankomst in het tolerante Nederland, keerden de Portugese joden terug naar het geloof van hun vaderen, maar dat was niet makkelijk. Ze hadden hun geloof eeuwenlang niet mogen belijden en waren het contact met de joodse gebruiken kwijtgeraakt.

Dat leidde tot haarkloverijen en kerkscheuringen in een gemeente die aan het begin van de 17e eeuw niet meer dan honderd gezinnen omvatte. De eerste synagoge, gesticht in 1600, viel in 1619 in drie synagogen uiteen. De joodse gemeenschap handhaafde de orthodoxie zo strikt, omdat de synagoge het symbool was met behulp waarvan de Sefardische gemeenschap zich in een vreemd land staande kon houden. 

De Portugese joden verwierven aanzienlijke welstand door de handel op het voormalige vaderland. Michael d’Espinoza, Baruchs vader, was zo’n handelaar. Hij verdiende goed geld met de handel in zuidvruchten. Aan deze rijkdom dankte hij een invloedrijke positie binnen de joodse gemeenschap. Hij werd meerdere malen herkozen tot ‘parnassijn’, lid van het bestuur van de synagoge.

Baruch werd opgevoed binnen de joodse orthodoxie. Hij volgde de Talmud Toraschool die nauw aan de synagoge was gelieerd. Aan het eind van de jaren ’40, begin van de jaren ’50 begon hij lessen te volgen aan de Latijnse school van Franciscus van den Enden. Spinoza was zo’n goede leerling dat hij al snel zelf Latijnse les mocht gaan geven. Franciscus bracht hem bovendien in contact met de ‘nieuwe filosofie’ van Descartes.

In Amsterdam heerste aan het begin van de 17e eeuw een aanzienlijke mate van geloofsvrijheid. Uit alle windstreken stroomden dissidenten toe. Het was een bont gezelschap, bestaande uit millenaristen, coccejanen, Quakers, armenianen, antitrinitaristen, socinianen, cartesianen en collegianten. Spinoza zocht zijn toevlucht bij deze dwarsdenkers. Hij voelde zich met name thuis bij de collegianten, een vrijzinnige beweging van utopische christenen die niemand uitsloot en tot de waarheid probeerde te komen door discussie op voet van gelijkheid in kleine gezelschappen, die ‘colleges’ werden genoemd.

Spinoza volgde misschien ook lessen aan de Illustere School, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Hij kan ook, na 1665 colleges, hebben gevolgd aan de Leidse universiteit, een berucht cartesiaans bolwerk.

Deze omstandigheden vormen geen verklaring voor het ontstaan van de radicale denkbeelden die Spinoza aan het eind jaren veertig, begin jaren vijftig ontwikkelde. Ze kunnen wel een impuls hebben gevormd voor en richting hebben gegeven aan zijn opstandigheid tegen de joodse orthodoxie en de sociale orde die daarop berustte.

In de zomer van 1656 barstte de bom. Spinoza werd, voor de buitenwereld volstrekt onverwacht, uit de joodse gemeenschap verbannen, op grond van ‘afgrijselijke’ en ‘abominabele’ ketterijen.

Spinoza was niet aanwezig tijdens de dienst waarin de banvloek werd uitgesproken. Hij verdween en dook pas weer op in 1661 in Rijnsburg, waar hij zich bleek te hebben gevestigd als lenzenslijper. Waar hij in de tussentijd verbleef is onduidelijk. Volgens een aannemelijke suggestie dook hij onder in het huis van Franciscus van den Enden. Daar kon hij met zijn vrienden over filosofie debatteren; waarschijnlijk schreef hij daar ook zijn eerste filosofische teksten, te beginnen met een Apologie waarvan de strekking luidde dat hij, Spinoza, de synagoge de rug had toegekeerd, niet andersom.

In dezelfde tijd moet hij zijn begonnen met de Ethica. De algemene strekking moet, in het verlengde van de Apologie, worden begrepen als een verzet tegen elke vorm van religieuze dogmatiek en als een pleidooi voor vrijdenken. Met vrijdenken bedoelde Spinoza dat de filosofie zich moet losmaken van haar theologische grondslagen (joods of gereformeerd) en de grote vragen naar oorsprong en doel van het menselijk bestaan moet beantwoorden aan de hand van een strikt logische redenering.

Spinoza schreef zijn Ethica in twee fasen die zo sterk van elkaar verschillen dat ze als Ethica 1 en Ethica 2 van elkaar moeten worden onderscheiden.

De oorspronkelijke Ethica bestond uit drie delen, gewijd aan Natuur (fysica), Denken (logica) en Ethiek (ethica). Spinoza volgde de werkwijze die in de oudheid werd gebruikt in filosofische scholen, met name die van de stoa. Hij oriënteerde zich op stoïsche filosofen, voornamelijk Epictetus, Seneca en Cicero; deze ‘oriëntatie’ moet worden opgevat als een oriëntatie in systematiek.

Filosofie bestaat volgens de stoïsche filosofen uit drie onderling samenhangende onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de vraag naar het Zijn. Ze noemden dat onderdeel ‘fysica’ (natuurwetenschap). Onder ‘natuur’ verstonden de stoïci niet zozeer de bloemetjes en de bijtjes als wel Natuur in de betekenis van een universum in voortdurende ontwikkeling. Onder natuur (het Griekse ta physika) verstonden ze het vormgevende beginsel, de kiemkracht die oorsprong, ontwikkeling en samenhang van het gehele universum verklaarde. Dit kiembeginsel heette de Logos en deze Logos was God.

Het volgende onderdeel betreft de vraag naar het Denken, oftewel de logica. Hoe kan het Zijn worden gedacht door broze en vergankelijke wezens zoals de mens? Dat kan, zeiden de stoïci, omdat de mens, in tegenstelling tot de dieren, voorzien is van een denken waarvan de kern wordt gevormd door de logos, ditmaal met een kleine letter geschreven, welke logos op menselijk niveau correspondeert met de goddelijke, universele Logos.

Volgens de stoïsche filosofie is het cruciaal dat mensen correct leren denken, omdat het menselijk denken moet worden beschouwd als een antenne die op het universum is gericht. Mensen moeten leren logisch te denken, omdat ze zich dankzij deze logica kunnen invoegen in de grote Logos die God is.

Het laatste onderdeel, de richtlijnen tot handelen of ethiek, volgt logisch uit de voorafgaande twee delen, omdat het juiste handelen wordt afgeleid uit het correcte Denken van het Zijn.

Het systeem van de stoïsche filosofie: God, denken, handelen, is ook het systeem waarop Spinoza zijn Ethica bouwt. In elk van de drie onderdelen staat de logos centraal. Dat geldt zowel voor Spinoza als voor de stoa. Als we bedenken dat het Griekse woord logos door Romeinse filosofen werd vertaald als ratio, dan begrijpen we dat de ‘ratio’ (rede) die een centrale tol speelt in Spinoza’s filosofie, herleid moet worden tot de stoïsche logos die de essentie van God, denken en handelen in één woord samenvat.

Spinoza werkte aan zijn driedelige Ethica (die hij nog geen Ethica noemde, maar ‘mijn Filosofie’) vanaf ongeveer 1660 tot 1665. In 1665 was zijn boek klaar. Hij nam contact op met zijn uitgever, Jan Rieuwertsz, maar deze ontraadde hem met klem het te publiceren. Spinoza legde schoorvoetend zijn Ethica op de plank en begon aan een ander boek: het Theologisch-politiek traktaat. Dat publiceerde hij in 1670 onder een schuilnaam. In 1671 hernam hij het manuscript van de Ethica en schreef een vervolg op het nog niet geheel afgeronde deel III over de ethiek. De tijden waren grimmiger geworden. De conflicten tussen monarchisten en staatsgezinden mondden uit in een staatsgreep door de monarchisten. In 1672 werden de gebroeders De Witt op gruwelijke wijze vermoord; de Republiek kwam ten val.

Tussen 1665 en 1672 verschoven Spinoza’s ideeën over ethiek. Het accent werd verlegd van een puur individuele, naar een politiek-maatschappelijke ethiek. Deze zwenking is voelbaar in de delen IV en V die Spinoza na 1671 toevoegde.

Het verschil tussen Ethica I en Ethica II bestaat globaal gezien daarin dat het accent verschuift van een algemene filosofie, bestaande uit God, denken en handelen, naar een studie waarvan de uiteindelijke delen III, IV en V alle drie over handelen (ethiek) gaan. Vervolgens is er binnen deze ethiek een accentverschuiving van individuele naar maatschappelijke ethiek.

De laatste, vijfdelige versie van de Ethica heeft de oorspronkelijke opzet, dat wil zeggen het fundament van Spinoza’s Ethica en van zijn denken, aan het oog onttrokken. Als we de vraag stellen waar Spinoza’s levenswerk over gaat, doen we er goed aan te redeneren vanuit de oorspronkelijk opzet in de drie delen, God, denken en handelen en hun onderlinge samenhang.

1. GOD

Deel 1 is een ontologie, een leer van het Zijn. Het Zijn is substantie, in het Nederlands: zelfstandigheid. Alle dingen worden voortgebracht door de substantie. De substantie zelf wordt niet voortgebracht, en heet vandaar ‘zelfstandigheid’. Ze is oorzaak van zichzelf. De voortgebrachte dingen zijn onzelfstandig: het zijn verschijningsvormen (modi) van de substantie.

De substantie is enkelvoudig. Spinoza neemt stelling tegen Descartes die uitgaat van twee substanties: Uitgebreidheid en Denken. De zijnsleer van Spinoza staat als monisme (enkelvoudigheid) tegenover het dualisme (tweevoudigheid) van Descartes. Spinoza beschouwt Uitgebreidheid en Denken als een twee-eenheid, die geschreven zou moeten worden als de twee-eenheid: Uitgebreidheid/Denken.

Substantie is kiemkracht. Volgens Spinoza komt deze kiemkracht voort uit de wisselwerking tussen de beide eigenschappen van de substantie: Denken en Uitgebreidheid. Denken (Natura naturans) is als scheppend vermogen werkzaam in de Uitgebreidheid (Natura naturata). De relatie tussen Denken en Uitgebreidheid komt overeen met die tussen Essentie en Existentie.

Zijn is Wording, dat is de algemeenste strekking van Spinoza’s zijnsleer. Een dichter uit de oudheid heeft ooit opgemerkt dat de dingen worden wat ze zijn. De diepste betekenis van Spinoza’s zijnsleer ligt in de omkering van deze maxime: de dingen zijn wat ze worden.

2. AARD EN OORSPRONG VAN HET DENKEN

Deel 2 is een kenleer. Spinoza behandelt daarin de vraag: Wat is denken? Denken berust op de wisselwerking tussen drie soorten kennis: waarneming, rede en intuïtie. Vanuit de zijpanelen waarneming en intuïtie wordt informatie doorgegeven aan het middenpaneel van de rede. De zijpanelen hebben een dienende functie ten opzichte van het middenpaneel. Denken wordt gedomineerd door rede.

Denken resulteert in twee soorten begrip: waarnemingsbegrip en verstandelijk begrip. Beide begripsprocessen bestaan uit causale reeksen. Maar ze zijn totaal verschillend van aard. De twee denksporen lopen parallel, maar raken elkaar nergens. Dit verschijnsel wordt ‘parallellisme’ genoemd.

Waarnemingsbegrip berust op de inadequate verbinding van zintuiglijke waarnemingen. Verstandelijk begrip berust op de adequate verbinding van ideeën.

De twee soorten begrip houden verband met twee soorten waarheid. Waarheid als correspondentie hoort bij waarnemingsbegrip. Ze berust op de gelijkenis tussen een ding en de voorstelling van dat ding. Waarheid als coherentie hoort bij verstandelijk begrip. Ze gaat uit van de overeenstemming tussen een ding en zijn essentie.

Deel 2 bevat een opmerkelijke uitweiding (het ‘natuurkundig intermezzo.’) gewijd aan het ‘concentrische ik’. Lichamen zijn nooit zelfstandig. Ze zijn enerzijds opgebouwd uit ondergeschikte lichamen, anderzijds maken ze deel uit van steeds omvangrijker collectieve Lichamen, die maar één bovengrens kennen: het universum. Het ‘ik’ heeft een concentrische structuur. De consequenties voor ‘identiteit’ en ‘eigenbelang’ zijn duizelingwekkend.

3. OORSPRONG EN AARD VAN DE AFFECTEN

Deel 3 gaat over ethiek - richtlijnen tot handelen.

Menselijk handelen komt tot stand onder invloed van affecten. Affecten zijn uitingen van de bestaansdrift van elk ding. Ze moeten niet worden begrepen als onderdelen van een gevoelsleer, maar als functies van een existentiefilosofie.

Spinoza verdeelt de affecten in blijdschappen en droefheden. Blijdschapsaffecten maken ons sterker, droefheidsaffecten zwakker. Traditionele deugden, zoals medelijden, nederigheid en bescheidenheid, behoren tot de droefheden: ze maken ons zwakker. Traditionele ondeugden, zoals hoogmoed, eerzucht en wedijver behoren tot de blijdschappen: ze maken ons sterker. Spinoza vervangt de tegenstelling Goed : Kwaad door de tegenstelling Macht : Onmacht. Hij zet de christelijke ethiek op haar kop.

Spinoza maakt verschil tussen lichamelijke aandoeningen (affectiones) en mentale affecten (affectus - voorstellingen). Liefde is gericht op de voorstelling van datgene wat we liefhebben. Bij nader inzien is liefde gericht op de voorstelling van onszelf en via deze voorstelling op datgene wat we liefhebben. Liefde vergroot onze macht. Daar is volgens Spinoza niets mis mee. Ethiek berust op de regel dat we onze macht uitbreiden tot de grens van onze vermogens om ons te handhaven in het bestaan.

4. DE SLAVERNIJ VAN DE MENS, DAT WIL ZEGGEN DE KRACHT VAN DE AFFECTEN.

In Deel 4 geeft Spinoza een oplossing voor het probleem waar Deel 3 op was geëindigd. Als iedereen zijn macht uitoefent tot de grens van zijn vermogen, ontstaat er een oorlog van allen tegen allen. In Deel 4 legt Spinoza uit dat als mensen een samenleving vormen, ze met elkaar sterker staan dan elk apart. Eendracht maakt macht.

Samenleving staat tegenover natuursituatie. In de natuursituatie heerst het natuurrecht. Mensen leven er als dieren in het bos. Alles is toegestaan: moorden, roven en verkrachten.

Samenleving ontstaat op het moment dat mensen beloven elkaar geen schade te berokkenen en elkaar tegen gevaren van buiten te beschermen. Ze dragen hun natuurrecht over aan een door hen gekozen autoriteit. Die krijgt tot taak het samenlevingsrecht te handhaven. Spinoza meent, in tegenstelling tot Hobbes, dat het natuurrecht voortduurt in het samenlevingsrecht.

Maatschappelijke samenhang wordt bepaald door rede. ‘Rede’ (ratio – logos) betekent behalve zijnsgrond en logica ook gemeenschapszin. Hoe meer rede, hoe hechter de gemeenschap. Rede is de spil waar de drie onderdelen, God, denken en handelen, om draaien.

Het algemeen belang wordt gediend als ieder zijn eigenbelang nastreeft. Spinoza loopt vooruit op het ‘welbegrepen eigenbelang’ van Adam Smith (1723-1790). Individuele vrijheid en handelsvrijheid gaan hand in hand. Spinoza is een van de grondleggers van het liberalisme-utilitarisme dat zich in de 19e eeuw ontwikkelt.

De maatschappij is een handelsmaatschappij. Spinoza’s maatschappelijke ideaal wordt belichaamd in de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

De strekking van Deel 4 is paradoxaal. Burgers zijn vrijer in een politieke gemeenschap waarin zij hun natuurlijke vrijheden hebben opgegeven, dan in de natuursituatie waarin alles is toegestaan.

5. DE MACHT VAN HET VERSTAND, DAT WIL ZEGGEN DE MENSELIJKE VRIJHEID.

In het voorwoord tot Deel 5 drijft Spinoza de spot met Descartes’ dualisme om zijn eigen monisme beter te laten uitkomen.

Spinoza had in Deel 2 - over het Denken – opgemerkt dat hij terug zou komen op de intuïtie. Hij doet dat in Deel 5.

Aan het eind van Deel 3 had hij aangekondigd dat passies in acties kunnen worden veranderd. Deze verandering wordt in Deel 5 gepresenteerd als bevrijding uit de slavernij.

Met intuïtie bedoelt Spinoza datgene wat de stoïsche filosofen oikeiose noemden. Oikeiose is ‘inhuizing’ in de Natuur. Mensen delen dit vermogen met dieren en planten.

Mensen beschikken in tegenstelling tot dieren over verstand (een combinatie van rede en intuïtie). Verstand stelt hen in staat passies in acties te veranderen. Dit is de weg naar vrijheid en geluk.

GEOMETRISCHE METHODE

Spinoza volgt een door en door deductieve methode van filosoferen: hij werkt van de meest algemene beginselen naar de meest alledaagse werkelijkheid en hij doet dat, zoals hij in de ondertitel aankondigt: Ordine geometrico demonstrata, Op meetkundige wijze uiteengezet. Spinoza ontleende zijn methode aan Elementen, het beroemde meetkundeboek van Euclides van Alexandrië (4e-3e eeuw v.C.). Euclides begint zijn boek met vijf axioma’s. Daaruit leidt hij meetkundige Stellingen af die hij met behulp van zijn axioma’s bewijst.

Spinoza volgt Euclides’ benadering op de voet. Hij begint de vijf Delen van zijn Ethica met een aantal definities en/of axioma’s. Deel 1 opent met de volgende definities:

  1. Onder de oorzaak van zichzelf versta ik datgene waarvan de essentie existentie insluit, dat wil zeggen datgene waarvan de aard alleen als bestaand kan worden gedacht.
  2. Iets wordt in zijn soort eindig genoemd wat door iets anders van dezelfde natuur kan worden begrensd. Een lichaam wordt bijvoorbeeld eindig genoemd, omdat we altijd een lichaam kunnen bedenken dat groter is. Zo wordt een gedachte door een andere gedachte begrensd. Maar een lichaam wordt niet door een gedachte begrensd, net zo min als een gedachte door een lichaam.
  3. Onder substantie versta ik datgene wat in zichzelf is en door zichzelf wordt begrepen, dat wil zeggen datgene   waarvan het begrip niet het begrip van iets anders nodig      heeft en waaruit het gevormd zou moeten worden.
  4. Onder attribuut versta ik wat het verstand waarneemt als datgene wat de essentie van een substantie uitmaakt.

Waarom kiest Spinoza zo’n ontoegankelijke, zeg maar rustig onleesbare manier van filosoferen? Dat doet hij, omdat hij wil aansluiten bij de ‘nieuwe filosofie.’ In de 17e eeuw namen Galilei, Descartes, Hobbes, Spinoza, Leibniz en Pascal niet langer genoegen met de theologie als grondslag van de filosofie. Ze zetten de theologie voorzichtig aan de kant en kozen de natuurkunde als grondslag. Onder ‘natuurkunde’ verstonden zij het onderzoek naar de natuurwetten achter de natuurverschijnselen. Ze waren ervan overtuigd dat deze wetten in wiskundige formules zijn vastgelegd. Doel van de natuurkunde én de filosofie is deze formules te achterhalen.

Ze kozen Euclides als model voor de methode die in de filosofie moet worden gevolgd en begonnen net als Euclides met de meest algemene en abstracte natuurwetten, die ze formuleerden in termen van definities en axioma’s. Van daaruit werkten ze toe naar de zintuiglijk waarneembare verschijnselen. Euclides’ Elementen geldt tot op de dag van vandaag als model van een axiomatische methode.

Latere filosofen waren sceptisch over het nut van de meetkundige methode voor filosofie. Immanuel Kant verwierp het idee van een wiskundige filosofie. Volgens Kant (Kritik der reinen Vernunft) gaat filosofie uit van ervaringskennis en trekt daaruit algemene conclusies. Wiskunde werkt andersom. Ze gaat uit van definities, axioma’s en stellingen en werkt toe naar dingen die we kunnen waarnemen. Wie, zoals Spinoza, filosofie beoefent volgens een meetkundige methode, kiest volgens Kant het verkeerde uitgangspunt.  

Spinoza’s geometrische methode kan achteraf worden beschouwd als een retorische strategie. Spinoza koos een bepaalde stijlvorm. Hij had zijn denkbeelden in een andere vorm kunnen gieten, bijvoorbeeld in die van een essay, zoals Montaigne, of in die van een woordenboek, zoals Adriaan Koerbagh in Een ligt Schijnende in Duystere Plaatsen (1668). Maar hij koos voor de vorm van het meetkundeboek.

Dát hij voor deze, volgens Kant ongerijmde methode koos, was omdat hij zijn gedachten wilde versleutelen tot geheimschrift. Hij wilde de ware aard van zijn ideeën camoufleren. Ze waren zo revolutionair dat hij ze niet in toegankelijk Nederlands kon publiceren. Had hij dat wel gedaan, dan zou hij zijn gearresteerd, veroordeeld en gevangengezet, zoals zijn vriend Adriaen Koerbagh. Koerbaghs opvattingen kwamen in hoge mate met die van Spinoza overeen. Maar Koerbagh vond, in tegenstelling tot Spinoza, dat de nieuwe denkbeelden aan een zo breed mogelijk publiek moesten worden kenbaar gemaakt, bij voorkeur in het Nederlands. Hij deed dat in de vorm van een overzichtelijke, verklarende woordenlijst. Het gevolg was dat zijn boek Een ligt Schijnende in Duystere Plaatsen in beslag werd genomen nog voor het geheel was gedrukt. Adriaen zelf werd gearresteerd en tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij stierf een jaar na zijn veroordeling in het Amsterdamse Rasphuis.

WERKING

Spinoza staat bekend als de grondlegger van het rationalisme. Dat is terecht, gezien de centrale plaats die ratio (rede) in zijn Ethica inneemt. Daarbij moet worden bedacht dat ‘ratio’ een vertaling is van het Griekse ‘logos’ in de drievoudige zin van God, denken en ethiek en dus een diepere betekenis heeft dan gewoonlijk aan ‘ratio’ wordt toegekend.

De Ethica is aangevoerd door politiek-filosofische ideologieën die elkaar lijken uit te sluiten: liberalisme-utilitarisme en communisme.

In 1967 vormde de links-radicale filosoof Louis Althusser een groep die zich ten doel stelde het werk van Spinoza te bestuderen. De groep bestond, behalve uit Althusser, uit beroemde filosofen, of liever: filosofen die zich tot beroemdheden zouden ontwikkelen: Étienne Balibar, Pierre Macherey, Jacques Lacan, Alexandre Matheron, Gilles Deleuze. Matheron, Macherey en Deleuze zijn uitgegroeid tot grote Spinoza-kenners. Het is niet overdreven te zeggen dat zij hun leven hebben gewijd aan de studie van Spinoza. Des te opmerkelijker is het dat al deze Franse superspecialisten afkomstig zijn uit een broedplaats van links-radicale signatuur. In hetzelfde vaarwater bevindt zich de links-radicale intellectueel en hoogleraar staatstheorie Antonio Negri, die eind jaren zeventig werd opgepakt en veroordeeld wegens banden met de Rode Brigades en betrokkenheid bij de moord op Aldo Moro. Negri is net als Louis Althusser een groot kenner van het werk van Spinoza en van Marx. In zijn boek Savage anomaly toont hij Spinoza als een voorloper van neomarxistische ideeën omtrent omverwerping van staatsmacht door revolutionaire volksbewegingen.[1]

Spinoza is ongetwijfeld een radicale, revolutionaire denker, maar zijn radicaliteit is niet van neomarxistische aard. Spinoza maakt onderscheid tussen een kleine groep weldenkenden en een grote massa onweldenkenden, die door hem wordt aangeduid als ‘de massa’ of ‘het volk’. Spinoza zou gruwen bij de gedachte dat dit volk, dat wil zeggen de meute die de gebroeders De Witt had gelyncht, de macht zou grijpen. Spinoza is een revolutionair in de zin dat hij in opstand komt tegen elke vorm van geestelijke knevelarij, of die nu afkomstig is van de kant van de kerk, of van andere geestelijke dwingelanden. Hij is ervan overtuigd dat deze revolutie gewonnen wordt op het moment dat de mens zich uit de slavernij van zijn denken bevrijdt door ontwikkeling van zijn rede. Hij betwist allerminst het gezag van staat en machthebbers, en hij is ervan overtuigd dat veiligheid en welvaart alleen dan gewaarborgd worden als de onweldenkenden met straffe hand in toom worden gehouden door de handhavers van de wet.

De tweede reden waarom de neomarxistische optiek een vertekend beeld geeft van Spinoza’s radicaliteit is dat de staat volgens Spinoza gegrondvest is op utilitarisme, dat wil zeggen op het gemeenschappelijk nut. De term republiek (res publica) verwijst naar dit utilitarisme, omdat dit woord letterlijk verwijst naar het nut (res) van het algemeen (publica). Het voorbeeld van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie past beter bij Spinoza’s idee van een republiek, dan dat van een volksrepubliek of arbeiderszelfbestuur.

VATICAANS MANUSCRIPT

In 2011 werd in de bibliotheek van het Vaticaan een afschrift gevonden van Spinoza’s Ethica. Het is van de hand van de kopiist Pieter van Gent, die in 1674 een afschrift maakte van het manuscript van de Ethica, in de staat waarin het zich op dat moment bevond. Spinoza werkte na 1674 verder aan zijn manuscript tot aan zijn dood. De laatste versie van het manuscript werd na Spinoza’s dood in februari 1677 aangetroffen in zijn lessenaar en wordt daarom het 'lessenaarsmanuscript' genoemd. Dit manuscript ligt ten grondslag aan de gedrukte versie van de Ethica in de Opera posthuma uit 1677. Het ‘lessenaarmanuscript’ zelf is verloren gegaan. De gedrukte versie van de Ethica in de Opera posthuma komt het dichtst in de buurt van de laatste versie van Spinoza’s manuscript.[2]

Nederlandse vertalingen

  • Suchtelen, Nico vanEthica (uit het Latijn vertaald, ingeleid en van verklarende aantekeningen voorzien), Wereldbibliotheek, 1928, 1979.[4]
  • Klever, WimEthicom, ofwel Spinoza's Ethica vertolkt in tekst en commentaar, Eburon Delft, 1996
  • Krop, Henri, Ethica, tweetalige editie, Bert Bakker, Amsterdam 2002, 2004
  • Vermeulen, Corinna, Ethica, vertaling van het in 2011 gevonden manuscript in de Bibliotheek van het Vaticaan, Boom Amsterdam, 2012
  • Buuren, Maarten vanEthicaAmbo/Anthos, 2017
  • Buuren, Maarten vanEthica, herziene vertaling, Damon, 2025
  • Karel d'Huyvetters, Ethica, Uitgeverij Coriarius, 2017

Werken over de Ethica

  • Meinsma, K.O., Spinoza en zijn kring: Historisch-kritische studiën over Hollandsche vrijgeesten, Martinus Nijhoff, ’s-Gravenhage 1896
  • Macherey, Pierre, Introduction à l’Éthique de Spinoza, vijf delen, Presses Universitaires de France, Parijs 1994-1998
  • Nadler, Steven, Spinoza’s Ethics: An Introduction, Cambridge University Press, 2009 (2006)
  • Rovere, Maxime, Spinozaland, Balans, Amsterdam 2021
  • Bunge, Wiep van; Krop, Henri; Steenbakkers, Piet; Ven, Jeroen van de (red.), The Bloomsbury Companion to Spinoza, Bloomsbury Academic, Londen 2014 (2011).
  • Steenbakkers, Piet, Spinoza’s Ethica from Manuscript to Print: Studies on Text, Form and Related Topics, proefschrift Groningen, Van Gorcum, Assen 1994

 

[1] Antonio Negri, Antiono Negri, The savage Anomaly; The Power of Spinoza’s Metaphysics and Politics, University of Minnesota Press, Minneapolis, Oxford 2013 (1991), verder: Subversive Spinoza; (un)contemporary Variations, Manchester University Press, 2008 (2004).  

[2] Maarten van Buuren (2017): ‘Ten geleide’ bij zijn vertaling van de Ethica, pp. 12-15.